Over Peil.Burgerschap

Peil.Burgerschap brengt in kaart hoe het burgerschapsonderwijs op scholen is ingericht en welke burgerschapscompetenties leerlingen aan het einde van hun schoolloopbaan hebben ontwikkeld. In 2020 vond een peiling plaats aan het einde van het basisonderwijs. In 2021 volgde een peiling aan het einde van het speciaal basisonderwijs en speciaal onderwijs.

Peil.Burgerschap speciaal (basis)onderwijs 2021

In het schooljaar 2020-2021 is voor het eerst landelijk onderzocht hoe het burgerschapsonderwijs en de burgerschapscompetenties eruitzien aan het einde van het speciaal basisonderwijs (sbo) en speciaal onderwijs (so). Het onderzoek betrof 53 sbo-scholen, met 992 leerlingen, en 32 so-scholen, met 474 leerlingen. Ook dit onderzoek is uitgevoerd door een consortium van de Universiteit van Amsterdam, GION/Rijksuniversiteit Groningen, het Kohnstamm Instituut en Cito.

Enkele bevindingen over het burgerschapsonderwijs en de burgerschapscompetenties van leerlingen:

  • Scholen besteden in hun burgerschapsonderwijs vooral aandacht aan persoonsvorming en sociale omgang. Seksuele weerbaarheid is daarbij een onderwerp dat relatief veel aandacht krijgt.
  • De gemiddelde sbo- en so-leerling heeft een hoge seksuele weerbaarheid. Vrijwel alle leerlingen geven bijvoorbeeld aan te weten dat zij mogen weigeren om een naaktfoto met iemand te delen.
  • Net als in het regulier basisonderwijs is op veel scholen verdere ontwikkeling nodig van een gezamenlijke visie, concrete leerdoelen en een planmatige aanpak van burgerschapsonderwijs.
  • Een positief en veilig klas- en schoolklimaat hangt samen met gunstiger burgerschapshoudingen van leerlingen.
  • De peiling biedt voor het eerst een landelijk beeld van kennis, vaardigheden en houdingen rond burgerschap bij leerlingen aan het einde van het sbo en so.

Het volledige rapport, Peil.Burgerschap einde speciaal (basis)onderwijs 2020-2021, is hier te lezen (via de website van de Inspectie van het Onderwijs).

Peil.Burgerschap primair onderwijs 2020

In het schooljaar 2019-2020 is onderzocht hoe leerlingen in groep 8 denken over burgerschap, wat zij hierover weten en in hoeverre zij hun burgerschapsvaardigheden beheersen. Ook is onderzocht hoe scholen hun burgerschapsonderwijs vormgeven. Aan het onderzoek deden 94 basisscholen en 2.237 leerlingen mee. Het onderzoek is uitgevoerd door een consortium van de Universiteit van Amsterdam, GION/Rijksuniversiteit Groningen, het Kohnstamm Instituut en Cito.

Enkele bevindingen over het burgerschapsonderwijs en de burgerschapscompetenties van leerlingen:

  • De burgerschapskennis van leerlingen aan het einde van de basisschool is sinds 2009 licht gedaald. Vier van de vijf leerlingen beheersten ongeveer de helft tot negen tiende van de opgaven over burgerschapskennis en het toepassen daarvan.
  • Een vergelijkbaar deel van de leerlingen heeft matig tot redelijk vertrouwen in de eigen burgerschapsvaardigheden en een gematigd positieve burgerschapshouding.
  • Volgens de meerderheid van de deelnemende schoolleiders en leerkrachten behoeft het burgerschapsonderwijs verdere ontwikkeling.
  • Op veel scholen ontbreekt nog een uitgewerkte visie op burgerschap, concrete leerdoelen en een samenhangende leerlijn. Deze elementen zijn nodig om burgerschapsonderwijs doelgericht vorm te geven en de ontwikkeling van leerlingen te volgen.
  • Niet alleen het onderwijs op school hangt samen met burgerschapscompetenties. Ook de omgeving van leerlingen, waaronder de thuissituatie, speelt een rol.

Het volledige rapport, Peil.Burgerschap einde basisonderwijs 2019-2020, is hier te lezen (via de website van de Inspectie van het Onderwijs).